Wat was er eigenlijk voor internet?

Wat was er eigenlijk voor internet?

De mini (2010) groeit op in een wereld die heel snel digitaliseert. Voor alles is een knop of een App. En hoewel we haar zoveel mogelijk in het hier en nu met fysieke middelen proberen op te voeden, is er aan die digitale wereld niet te ontkomen. Wel zetten we hem zoveel mogelijk in als brug naar een project met fysieke aspecten. Ze gebruikt bv. zoekmachines (en Pinterest) om haak- en breipatronen op te zoeken en speurt met oma op YouTube naar uitleg zodat ze samen poppen kunnen haken. Hoe anders was dat in mijn jeugd?

Het was een artikel van SVDJ dat me even terugbracht naar het begin van deze eeuw. In dat stuk bekijkt Piet Bakker de ontwikkeling van internet gedurende de afgelopen twintig jaar.

Dat was voor mij een enorm hectische periode, waarin ik altijd in de frontlinie van internet opereerde. In de tweede helft van de jaren ’90 was ik al betrokken bij een aantal e-commerce projecten in de VS en vanaf 1999 in West-Europa. Ik zat als ondernemer (met personeel) midden in de browseroorlog tussen Microsoft en het door mij zo geliefde Netscape, toen guru Marc Andreessen me in 2004 in klein gezelschap voorspelde dat alles software zou worden.

In zijn betoog kon ik me wel vinden, maar over de manier waarop en de snelheid daarvan verschilden we van mening. Daar werden we het tijdens die maaltijd ook niet over eens. Hij dacht dat het sneller zou gaan, maar voorspelde toen wel de Apps en de mobiele telefoon als bepalend instrument. De wereld schrijft dat graag aan Steve Jobs toe, maar Andreessen riep dat al jaren eerder. Hij bedacht en maakte overigens Mosaic, de allereerste internetbrowser en ontdekte vroeg social media als business model en is wat dat betreft één van de echte guru’s van internet.

Met mijn internetprovider bouwde ik aan het fysieke deel van internet. Dat stuk dat je niet ziet en eigenlijk ook niet niet wilt zien: kabels, energie-slurpende kasten vol met knipperende lichtjes. Jij denkt dat je draadloos werkt, maar uiteindelijk gaat het altijd ergens naar een kabel.

Cloud klinkt sexy, maar ook dat is een verzameling (grote) energievretende computers met heel veel opslag, kabels en chips. En een berg mensen die dat onderhouden, bedenken en repareren als het kapot gaat. Want kapot gaat het en dan moet iemand het maken en dat kan er zo banaal uitzien als een reparatie van een wasmachine.

Laat ik dat even toelichten aan de hand van een voorbeeldje.

In Amsterdam zit het grootste internetknooppunt ter wereld. Dat gebruikt heel veel stroom en als daar iets mis gaat dan heb je de poppen aan het dansen. Zoals die keer in 2006 toen de bliksem insloeg bij de stroomboer en een groot deel van de stad op zwart ging.

Plekken waar heel veel computers staan, zoals zo’n internetknooppunt, hebben daarom altijd noodstroomvoorzieningen in de vorm van dieselmotoren. Die springen in dat soort gevallen aan en als dat goed gaat dan merken we daar niets van. Maar toen ging het niet goed. Een aantal van die noodstroominstallaties werkte niet en de overlast door die blikseminslag was groter dan verwacht. Gedoe, dus websites gingen op zwart, webwinkels uit de lucht en zoekmachines waren niet bereikbaar.

Mensen gaan die noodstroomvoorziening repareren en als dat allemaal weer werkt, dan krijgen computers weer stroom en dan gaan ze weer aan. Juist dan gaat er vaak iets kapot. Als apparatuur draait dan blijft het wel draaien, maar juist tijdens dat opstarten kan er van alles misgaan. Je kunt het vergelijken met een lamp: ze gaan altijd kapot (pats!) als je ze aan zet.

Wij waren erop bedacht, want nadat we de melding van de stroomuitval kregen, gooiden we een bus vol met spullen (chips, routers, computers, switches, kabels, stekkers, gereedschap, soldeerbout, etc) en vlogen we midden in de nacht richting Amsterdam. Dat kon toen nog, want we hadden geen stikstofproblemen, noch trajectcontrole.

Eenmaal aangekomen liepen we in het donker bij het licht van onze zaklampen met karretjes met daarop onze technische eerste hulp richting grote kasten met bergen computers. Wat normaal gesproken druk knipperde en zoomde was nu allemaal donker en stil.

We gingen op de grond zitten en wachtten op stroom. Koffie deden we uit een thermoskan, want zonder dat zwarte goud doet een ICT’er niet zo heel veel (Enriko uitgezonderd). Onze buren (Google) kwamen aanlopen en gingen naast ons zitten. En langzaam druppelden de paden vol toen er meer engineers opdoken. Bij ons waren dat verder nog mensen van T-Mobile, Tele2, Versatel en BBC.

Blijkbaar was buiten de noodstroom gerepareerd, want plots ging de verlichting aan en hoorden we links en rechts de kasten wakker worden. Iedereen keek naar zijn eigen kasten en hield zijn telefoon in de gaten. Veel machines die niet of niet geheel functioneren sturen vaak nog een SMS met de melding dat het niet (goed) werkt en links en rechts hoorden we SMSjes binnenkomen. Ook mijn collega Edwin, de man die praat met al die knipperende lichtjes, kreeg een melding dus ook wij hadden pech.

Een switch was kapot, dus die moesten we vervangen. Voor ons doen was het een grote (15 centimeter hoog een kast breed en bijna een meter diep, 40 kilo) dus we begonnen een eindeloze hoeveelheid stekkers los te trekken. Als je hem er dan uit hebt, dan ga je hem eerst proberen te repareren.

Dat valt niet mee, want die gangpaden zijn niet heel breed en overal om je heen staat of ligt apparatuur omdat mensen naast je ook bezig zijn. Wij hadden twee kapotte geheugenmodules, vervingen die ter plekke en toen werkte alles weer.

Daarna hielpen we onze buurman Google. Die had niet voldoende onderdelen bij zich, dus leende een paar zaken bij ons. Dat zijn dingen die je niet op hoeft te schrijven en die altijd worden betaald of die je zonder zeuren terug krijgt. Op één na houden alle internetproviders zich aan die ongeschreven regels. Het tuig dat zich er niet aan houdt is KPN. En dat betekende dus dat we daar midden in de nacht geheugenchips leenden aan Google, een Switch aan Versatel, een aantal kabels aan Tele2 en die twee techneuten van KPN aan hun lot over lieten.

Toen we in ons pad klaar waren dansten we tussen de computers, printplaten en chips die her en der op de grond lagen en gingen we met een man of 6 koffie halen voor de jongens die het moeilijk hadden. En toen alles weer lekker liep reden we met een fijn gevoel naar huis.

Zo ziet internet er vandaag de dag nog altijd uit. Dat is niet sexy, niet groen en niet schoon.

De voorloper daarvan was trouwens packet-radio. De naam zegt het al: het was een data-verbinding over vrije frequenties van ‘de zendbak’ (het bakkie) die in de jaren ’80 zo populair was.

De foto boven is waar ik in Utrecht woonde toen ik jong was. Als je de pijl volgt dan zie je op het dak onze antennes staan. Die antennes heb ik zelf helpen plaatsen (ja daar op het dak) onder de bezielende leiding van mijn oom Nico die zelf thuis helemaal een obscure opstelling had.

Dat internet-over-radio was veel fysieker dan het moderne Internet. Behalve dat je de kabels en de antennes zag (of moest solderen) hoorde je het signaal ook en moest je actief een frequentie (kanaal) zoeken. En waar internet er voor zorgt dat je mailtje vanzelf ergens terechtkomt, moest je dat op de radio ook met de hand doen.

Als ik jou een mailtje wilde sturen, dan verbond ik mijn radio met jouw radio en maakte daaroverheen met mijn computer een verbinding met jouw computer en leverde ik de mail af.

Mijn radio kwam maar 2 kilometer (volgens de wet) en die van jou ook. Dus als we verder uit elkaar zaten dan hadden we iets daartussen nodig. Een radio van iemand anders bijvoorbeeld of een serie andere radio’s. En dan maakte je op die manier de verbinding en gaf je aan hoe je brief bezorgd moest worden en zo gebeurde dat dan.

Nu vindt iedereen het normaal dat je met je duim via een app over WiFi je lamp bedient of via Skype chat met je oom in Amerika. Maar toen was zo’n mail wel dagen onderweg en als je dan bericht uit Limburg of Londen terug kreeg, dan was je euforisch.

En voor communicatie over zee moest je helemaal creatief worden. Moonbouncing heet dat. Dan kaats je het radio-signaal via de maan naar bv. Suriname. Ik heb voor mijn vader wat keren met een antenne de maan staan zoeken.

Mooie tijd. Heel mooi.

Ik ga even Waiting on a Friend draaien. Voor mijn vader. Op vinyl.