Woekeren is van alle tijden

Woekeren is van alle tijden

Het was een retweet door Jan Willen Navis die me terugbracht naar het begin van deze eeuw, naar een uniek moment met mijn opa. En dat leidde tot een reeks onvergetelijke maar super aangrijpende momenten. Zoals onderstaande.

“Ik wist dat ik je nog eens zou zien.”

Het is begin van deze eeuw en wij woonden net in Zwolle. Het was op een verjaardag in de winter, misschien wel die van mijn vader, dat mijn opa nav. ons nieuwe adres over de oorlog begon.

Dat was uniek, want dat onderwerp vermeed hij, zoals wij nu Corona ontwijken. Wat hem betreft had die oorlog nooit plaatsgevonden en als iemand hem ernaar vroeg dan zei hij steevast dat hij 3 maanden te jong was voor de mobilisatie en dat de oorlog – op wat verplichte arbeid als schoenmaker na – zo’n beetje aan hem voorbij was gegaan.

De realiteit bleek die middag een andere, want hij diende in de meidagen als vrijwilliger bij het luchtafweergeschut in Fort Blauwkapel tussen de Bilt en Utrecht: “De schoften vlogen laag over. We knalden er zat neer, maar het was niet genoeg.”

In de oorlog bleef hij vrijwilliger voor de goede zaak en ‘regelde’ hij (oa) bonnen en eten voor familie en onderduikers en daarvoor liep hij herhaaldelijk met een handkar van Utrecht naar Groningen en weer terug om onderweg bij de boeren om voedsel te vragen en om het te kopen.

Zwolle triggerde de oorlog bij hem. Niet de stad, maar de brug: “Als we daarover waren, dan was het goed.”

Als belangrijkste knooppunt naar het Noordoosten wemelde die brug vanzelfsprekend van de nazi’s. Daaronder zaten ook mensen van de CCD, het orgaan dat Zwarte Handel moest bestrijden. Dat waren Nederlandse ambtenaren in Dienst van het Reich.

Ze namen veel voedsel in beslag, dat vaak met pijn en moeite op fietsen met houten banden en ouderwetse karretjes te voet werd opgehaald en die CCD is zo samen met een klein aantal woekerboeren verantwoordelijk voor talloze hongerdoden, ook buiten de hongerwinter om. Nederlandse verzetsmensen en normale boeren hadden het niet op de CCD: “Daar konden er niet genoeg van kapot geschoten worden” aldus mijn opa.

In het Dominicanenklooster van Zwolle hadden ze een hoofdkantoor en daar hangt nu nog altijd een marmeren plaquette met de namen van tientallen ‘Kameraden die tijdens hun dienst stierven voor de goede zaak’ (lees: omkwamen door ingrijpen van het verzet).

De brug was die middag een lastig ding voor mijn opa. In zijn gedachte zag hij zich vast en zeker de kar met voedsel eerst met grote moeite de heuvel op duwen om hem daarna gecontroleerd heuvelafwaarts zien te krijgen.

Iedereen die er weleens overheen gefietst is, weet hoezeer je hoopt dat het stoplicht onderaan die heuvel op groen staat als je eraan komt denderen. Beeld je dus in dat je daar met een handkar met 75 tot 150 kilo aardappels, wortels, bieten en graan af moet.

De zwaartekracht die aan die kar trekt, slechts gecompenseerd door het lichaamsgewicht van mijn opa en een broer, zwager of vriendin (mijn oma). En dan hadden ze al 400 kilometer in benen. Zo’n kar die schurend en schuivend richting die bunker aan de voet van die heuvel gleed.

Dat ging nog weleens mis en schoof je het talud af en rolde je met je kar de uiterwaarden in, waarna die “etters van de CCD” zich als haaien op de handel stortte: “Regelmatig konden we dan opnieuw beginnen en gingen we weer terug naar het noorden.”

Tussen Zwolle en Groningen zaten een aantal boerderijen waar de ploeg van mijn opa voedsel haalde. Daaronder veel goede boeren die tegen kostprijs en op eigen risico het westen in leven hield. Mensen uit de Randstad deden de logistiek, maar de boeren zorgden voor onderdak, opslagplaatsen (voor “van alles”), groente en soms zelfs melk en vlees.

Mijn opa was even stil en vroeg toen heel specifiek naar één dorp: “Hoe ver is dat van Zwolle?”

“Een minuut of 20,” zei ik.

Hij piekerde even en zei toen: “Daar wil ik wel een keer naartoe. Ik heb geen adres, maar als ik daar ben dan weet ik het wel weer.”

Mijn oma, in de oorlog al samen met mijn opa, vond het geen goed idee, maar mijn opa was niet te vermurwen.

Er ging een maand of twee overheen en het werd lente. Ze kwamen naar Zwolle en met de familie reden we over de oude weg naar het bewuste dorp. Eenmaal in het dorp gidste hij ons zonder moeite naar een hele grote sjieke boerderij.

We belden aan. Het duurde even voor er open werd gedaan.

Het was een oude vrouw in klederdracht. Ze schrok van de groep, maar ontdekte al snel mijn opa. Haar gezicht verstijfde. Ze keek hem lang indringend aan: “Ik wist dat ik je nog eens zou zien.”

Mijn opa zei niets.

We gingen naar binnen en kregen koffie. We hadden een hartelijk gesprek en zaten in een luxe keuken rond een oude smeedijzeren kachel.

Mijn opa zei nog steeds niets, maar dronk stoïcijns zijn koffie. Zijn ogen keken naar de schilderijen aan de muur, de marmeren en bronzen beelden op de schouw en de Bijbel in het raam.

Het waren mijn oma en hun dochter (mijn moeder en de absolute held van mijn dochter) die het gesprek voerden. Het ging over koetjes en kalfjes, maar de sfeer was raar en de oorlog kwam niet ter sprake.

Het bezoek duurde niet lang. Het afscheid door de vrouw was hartelijk. Mijn opa bleef stil.

We liepen door de gang naar buiten.

Daar aangekomen draaide opa zich om. Hij keek de vrouw indringend aan. Haar gezicht verstrakte nogmaals. Hij zei: “Waarom die woekerprijzen? Was dat bloedgeld echt zo belangrijk?”

De vrouw staarde hem aan, zei niets en sloot na enige tijd met een ijzeren gezicht de deur.

De terugreis naar Zwolle was lang, al duurde die maar 20 minuten.